Tweede Wereld Oorlog | Wat gebeurde er toen met wijn uit Frankrijk

Op 22 juni 1940 ondertekenden Frankrijk en Duitsland een wapenstilstand. Kort daarna bezette Hitlers Duitsland het land en verdeelde het in twee delen. Daarbij kwamen juist de belangrijkste wijnregio’s – Champagne, Bourgogne, Bordeaux en Cognac – in de bezette zone terecht. Het economisch zwakkere deel, dat bekend werd als Vichy-Frankrijk, lag aan de andere kant van de demarcatielijn, maar stond vanaf het begin onder sterke Duitse invloed. In de ruim vier jaar die volgden, ontvouwde zich in Bourgogne een verhaal van collaboratie, verzet en de vele grijstinten daartussen.

In de zomer van 1940 installeerden de nazi-autoriteiten drie regionale afgevaardigden, door de Fransen spottend Weinführer genoemd. Deze drie mannen, verheven tot de rang van kolonel, waren Otto Klaebisch in de Champagne, Adolf Segnitz in de Bourgogne en Heinz Bömers in Bordeaux. Een Weinführer was als enige geaccrediteerd om wijnen te kopen die enerzijds nodig waren om het moreel van Duitse burgers en troepen te verhogen en anderzijds bestemd waren voor de hogere sociale kringen binnen het Reich (voor hen de prestigieuze wijnen met de bekende namen). Het doel was duidelijk: Frankrijk diende van zijn kostbaarheden te worden beroofd — dus ook van wijn, naast producten als vlees en kaas.

Met hun benoeming maakten de Duitse autoriteiten echter een inschattingsfout. De Weinführer waren weliswaar in Duitsland gevestigde wijnhandelaren en -experts, maar ook bevriend met hun Franse collega’s. Hun contacten overstegen al generaties lang de louter commerciële belangen. Zij kenden de Franse wijnwereld goed, spraken vloeiend Frans en waren in sommige gevallen zelfs peetvader van elkaars kinderen. Men was zich ervan bewust dat de oorlog ooit voorbij zou zijn en dat Frankrijk en Duitsland daarna met elkaar zouden moeten samenleven. De Weinführer bezochten hun Franse collega’s zelden in uniform. Toen Maison Louis Latour, een bekend handelshuis in Beaune, besloot geen enkele druppel wijn aan de Duitse bezetter te leveren, ging Segnitz daarmee akkoord en dwong hij het huis op geen enkele wijze tot levering. Deze ambivalente houding zou de Duitse bezetter gedurende de oorlog steeds meer parten spelen. Met ‘ambivalent’ wordt bedoeld dat de Weinführer ook minder vriendelijke acties ondernamen richting wijnbouwers in de drie aangewezen regio’s, vooral in de Champagne.

In 1939 vermoedde menig Bourgondische wijnhandelaar dat prestigieuze wijnen in handen van een Duitse bezetter konden vallen. Twee maatregelen volgden: het verbergen van wijnen en het transporteren ervan naar veilige oorden. Het handelshuis Drouhin in Beaune, dat indertijd de wijnen van het toonaangevende Domaine Romanée-Conti distribueerde, verborg de jaargangen 1929–1939 achter een speciale muur in zijn kelder. Directeur Maurice Drouhin wist dat hij niet te veel argwaan moest wekken en verborg daarom niet alle waardevolle flessen. Wat het transport betreft: wijn werd destijds hoofdzakelijk in houten tonnen vervoerd, niet in flessen. Die tonnen boden bovendien de mogelijkheid om andere kostbaarheden en zelfs personen naar veiliger locaties te smokkelen.

De wijnmarkt in Frankrijk, ook in Bourgogne, was tegen 1940 grotendeels ingestort. De vernietiging van wijngaarden door druifluis (phylloxera), de Eerste Wereldoorlog en de Grote Depressie lieten nog steeds sporen na. Daarnaast kende de Bourgogne een reeks slechte oogstjaren, waaronder 1939. Ook 1940 werd een rampjaar: slecht weer, onvoldoende arbeidskracht en het gebrek aan noodzakelijke grondstoffen voor vinificatie — geroofd door de Duitse bezetter — maakten de situatie nijpend. Toch konden sommige producenten in deze periode gestaag winst maken via de ‘exclusieve’ export van hun wijnen naar nazi-Duitsland. Daarbij speelden twee factoren een rol: de Duitsers hielden zich steeds minder aan de regels, terwijl Franse producenten deze juist beter wisten te omzeilen, en de verkoop van inferieure Bourgognes met misleidende etiketten.

Duitsland betaalde de Franse wijnen grotendeels met aan Frankrijk opgelegde herstelbetalingen, waardoor de bezetter weinig oog had voor prijsbepaling. Vanuit Duitsland luidde de opdracht alles te kopen, ongeacht de prijs. “De broekzakken van de Weinführer waren gevuld met geld.” Hierdoor verdienden wijnbouwers en handelshuizen aanzienlijke bedragen, ondanks de devaluatie van de Franse frank. Sommige directeuren werden zelfs miljonair. Tegen het einde van de oorlog ontstond door schaarste een omvangrijke zwarte markt, die extra inkomsten genereerde. Belastingen werden vaak ontdoken, de administratie bleef beperkt en geld verdween naar belastingparadijzen zoals Monaco, waar veel Bourgondische huizen bankrekeningen hadden. De Franse historicus Lucand kreeg als eerste toegang tot documenten uit het Vichy-regime. In zijn boek Le vin et la guerre (2017) is hij kritisch over een aantal handelshuizen en spreekt hij van “een zwarte, grotendeels onuitgesproken bladzijde in de Franse geschiedenis”¹.

De wijngaarden in Bourgogne leden zwaar onder de oorlog. Menskracht en grondstoffen werden onttrokken en de bezetter maakte deugdelijke wijnbouw vrijwel onmogelijk. De in de jaren dertig ingevoerde oorsprongsbenamingen (AOC’s) werden grotendeels losgelaten. Inferieure druiven, soms afkomstig uit andere regio’s, werden samengevoegd. Deze wijnen van middelmatige kwaliteit werden — tegen het einde van de oorlog soms aangelengd met krenten- of appelsap — verkocht onder prestigieuze namen. Voor verzending naar Duitsland werd soms met krijt het sarcastische ‘Cuvée Spéciale’ op de ton geschreven.

Aan het einde van de oorlog speelden sommige Bourgondische handelshuizen een dubbelrol: zij steunden clandestien het Franse verzet, terwijl zij tegelijk aan de bezetter leverden. Veel wijnbouwers waren verzetsstrijders. Na de bevrijding van Bourgogne (8 september 1944) verenigden zij zich in december van dat jaar in Beaune in de Groupe Vinicole de Résistance Commerciale (GVRC), om zich te onderscheiden van collaborerende producenten. Na de oorlog vermeldden zij trots op hun etiketten: “Geen enkele druppel wijn verkocht aan de Duitsers tijdens de oorlog.” De Franse autoriteiten waren echter terughoudend in hun vervolging van handelshuizen, gezien de economische waarde van de wijnsector. Slechts een klein aantal handelaren werd berecht en hun bezittingen werden in beslag genomen.

Negen maanden nadat hij via zijn wijnkelder aan de Gestapo was ontkomen, keerde Maurice Drouhin terug naar huis, tot grote opluchting van zijn familie (hij werd aan het einde van de oorlog beschuldigd van samenwerking met de Amerikanen). Hij was ondergedoken geweest in de Hospices de Beaune². Ook vele Bourgognewijnen keerden huiswaarts. Sommige flessen werden door geallieerde bevrijders gevonden rond Berchtesgaden en in Kroatië, waar nazi-kopstukken speciale wijnkelders in bergrotsen hadden gebouwd.

¹ De momenteel bekende huizen in Nuits-Saint-Georges en Beaune worden niet negatief besproken.
² Bourgondische wijnbouwers waren aanvankelijk relatief trouw aan het Vichy-regime. Zij schonken Pétain zelfs een wijngaard (‘Clos du Maréchal Pétain’). Na de oorlog werd deze ‘besmette’ wijngaard ondergebracht bij de Hospices de Beaune.

Dit artikel staat op Wijn uit Bourgogne  van Miekel Corsten en is met zijn toestemming overgenomen. De literatuurlijst behorende bij dit artikel staat daar ook.

Rubriek(en):

RECENTE BERICHTEN

Tweede Wereld Oorlog | Wat gebeurde er toen met wijn uit Frankrijk

Kopke lanceert | 80 jaar oude Tawny Port

31 mei a.s. | NK Blindproeven 2026

Valpolicella | Buglioni

Oudste sherry | Ter wereld ontdekt

GERELATEERDE BERICHTEN